Ik ben niet gehandicapt, ik ben Chantal

Ik blog wanneer me iets dwars zit. Gelijk, op dat moment ook; dan moet ik het gewoon van me afschrijven. Eruit, weg ermee, uit mijn systeem en op het papier.

Het nadeel op dit moment? Tientallen blogs over hoe ik vecht en worstel met alle gevolgen van het ongeluk. Hoe ik daarbij soms bijna verdrink. En dus maar weinig blogs over goede momenten. Niet alleen omdat die er niet zo heel veel zijn, maar vooral ook omdat op die goede momenten mij niets ‘dwars zit’. Ik geniet dan met volle teugen van het feit dat het lekker gaat.

In mijn ogen zorgen al die klaagblogs er nu alleen voor dat jullie me zien als een labiel wrak. Als de vrouw die de hele dag een beetje in het donker op bed ligt met hoofdpijn. Die af en toe naar buiten gaat in een rolstoel. Die praktisch niets meer kan. Als dat probleemgeval. En ik wil helemaal niet dat jullie me zo zien!

Ik wil niet meer horen dat ik niet was uitgenodigd omdat jullie dachten dat ik toch niet aanwezig kon zijn. Of omdat ik niet zolang kan zitten. Dat jullie niet op me durven te bouwen, bang dat ik uitval. Me niets durven te vragen, bang dat het me teveel is, bang dat ik over mijn grenzen ga. Ik wil niet dat jullie me proberen te sparen. En ik wil al helemaal niet dat jullie voor me denken. Het maakt namelijk dat ik me ontzettend onnodig voel en heel gehandicapt. En dat is een extreem kutgevoel. Mooier kan ik het helaas nu niet verwoorden.

Ik ben Chantal. Ik ben alles-of-niets. Ik ben zwart-of-wit. Als ik ergens voor ga, dan doe ik dat met hart-en-ziel. En ja, daarbij ga ik ook over mijn grenzen. Dat heb ik altijd al gedaan, dat zal ik ook altijd blijven doen. En believe me, ik heb echt geprobeerd dat te veranderen. Over mijn grenzen gaan hoort schijnbaar bij me. Op volle kracht vooruit, ook nu ik minder valide ben dan ik zou willen. Gelukkig heb ik ondertussen wel geleerd dat over mijn grenzen gaan ook compensatie nodig heeft. Daarvoor calculeer ik tegenwoordig netjes compensatietijd in. Ik weet hoeveel ik kan doen op een dag. Ik ben me terdege bewust van de consequenties wanneer ik meer doe. Maar geef me dat nou gewoon. Denk niet voor mij in mijn plaats. Ik heb dat zwart-of-wit, dat alles-of-niets, nu meer nodig dan ooit. Het geeft me namelijk de kracht om de donkere momenten door te komen. Zwart-of-wit geeft me – hoe raar dat misschien ook klinkt – meer energie dan elke dag, de hele dag, ‘grijs’.

Dus alsjeblieft: denk niet voor me. Houd geen extra rekening met me. Ik beloof jullie plechtig dat ik het aangeef wanneer iets niet haalbaar is, wanneer iets niet lukt, wanneer ik te veel pijn heb, wat dan ook. Maar laat mij daarvan de beslissingnemer zijn, laat mij daar zelf over oordelen. Volgens mij kan ik dat zelf als beste.

Ik ben niet gehandicapt, ik ben Chantal.

Rotmoeder

Maandagmiddag begint de killing koppijn op te komen. De koppijn die ik altijd krijg ongeveer 24 uur na een activiteit. Niet heel raar, want zondag heb ik een fijne maar drukke dag gehad. Maandag had ik om die reden al ingecalculeerd als hersteldag. Helaas ben ik maandagochtend zo onrustig dat ik ’s ochtends maar een kast uitmest. Hoognodig, maar niet handig. Maandagavond weet ik niet meer waar ik het moet zoeken van de pijn, maandagnacht kan ik door de pijn nauwelijks in slaap vallen, en dinsdagochtend word ik wakker met niet alleen heel erge hoofdpijn, maar ook met pijn in mijn nek, schouders, hoge rug(genwervel), en loodzware armen. Mijn armen voelen aan alsof ze gemaakt zijn van beton: log en zwaar. Vreselijk moeilijk om te bewegen, ze te gebruiken of om iets mee beet te pakken. Overigens niets nieuws, dit gebeurt meerdere keren per week.

Mijn wekker gaat: het is tijd om 2 monstertjes klaar te maken voor hun schooldag. Ze komen gelijk bij me in bed liggen, al wakker geworden door hun vader die vlak daarvoor naar werk was vertrokken. Ze mopperen dat ze geen zin hebben en dat ze bij mij willen blijven. Ik voel me zo rot dat ik er niet aan moet denken om ze de hele dag om me heen te hebben en ben blij dat ze naar school moeten. En natuurlijk voel ik me daar gelijk weer schuldig over. Ondertussen krijg ik schop tegen het littekenweefsel op mijn knie (en dat is extreem gevoelig, geloof me), een puntige elleboog pijnlijk in mijn bovenarm en een kopstoot tegen mijn bonkende hoofd, terwijl ze ruzie maken over wie het meeste deken heeft en wie er het dichtst tegen me aan mag liggen. Sowieso al geen genietmomentjes, maar op dit soort dagen kan ik daar al helemaal slecht tegen. Dus ik snauw dat ze moeten ophouden en dat ze zich moeten gaan aankleden. Opbokken!

Het volgende gevecht begint. F1 loopt als een zombie in de rondte, trekt 2 boxers over elkaar heen aan, vergeet dat-ie ook nog sokken aan moet of een hemd onder zijn shirt. F2 krijgt een driftbui omdat ze haar zomerigste zomerjurkje vandaag niet aan mag. Ik doe echt heel erg mijn best geduldig te blijven, echt waar. De heftige pijn werkt alleen niet mee en maakt me prikkelbaar. Terwijl de tijd begint te dringen leest F1 met een been in zijn broek een boek, en krijgt F2 de volgende driftbui omdat ze haar haar niet wil laten kammen. Ik sta op ontploffen. Zonder het geduld om deze situatie nog om te buigen naar iets positiefs, sleur ik F1 mee om zijn tanden te poetsen, terwijl ik schreeuw dat-ie dan maar in zijn onderbroek naar school gaat. Het tandenpoetsen doet bij mij zo’n verdomde zeer, dat de tranen over mijn wangen lopen. F2 staat tegelijkertijd te dreinen dat ze niet eerst wil plassen voordat ik haar tanden poets. Ik ontplof. Ik schreeuw dat ze het alle twee maar bekijken, dat ze vooral het leven van hun juf en meester maar zuur moeten gaan maken, maar dat ik ze niet meer wil zien. Ik kan niet meer. Ik ben op. Ik heb pijn. Ongelooflijke pijn. En ik voel me de meest incompetente, onvriendelijke, prikkelbare rotmoeder ooit. Alweer.

Wat hebben de F’jes nou aan mij? Ze mogen geen lawaai maken, kunnen niet meer met me stoeien of gek doen. Ik doe geen spelletjes meer met ze, bouw geen magistrale Lego-werken meer met ze samen. Ik lees niet meer voor, zing geen liedjes meer. Heel af en toe, op een goede dag, kan ik op bed met ze knuffelen en praten. Het liefst met maar één tegelijk omdat het me anders teveel wordt. Wat hebben ze nou aan me? Is dit de moeder die ze zich later moeten herinneren? De moeder die altijd maar ziek lag te zijn op bed? Die niets met ze kon doen? Is dit nou de reden waarom ik het ongeluk heb overleefd? Ik wil deze moeder niet zijn. Ik wil zo niet zijn. Ik kan alleen niet meer. Ik kan echt niet meer.

I’ll carry your world | And all your hurt

Ik zit in een dal. Een groot, diep dal zonder uitweg. Ik kan ‘m in ieder geval niet vinden. Ik ben niet meer dat stoere meisje dat zo hard aan het vechten is om beter te worden. Dat meisje dat niet opgeeft, maar dat blijft doorzetten en knokken om de dingen te kunnen blijven doen die haar energie geven. Zij is weg. Ik daarentegen wil wegrennen. Ik wil vluchten. Elke dag vraag ik me nog iets harder af waarom ik niet gewoon ben gestorven. Ter plekke. Want ik haat dit leven. Ik wil zo niet oud worden. Eenzaam, op bed, in het donker.

Maar opgeven is geen optie. Punt. Dus ik vecht met mijn laatste resten energie kleine gevechten en hoop op betere tijden. De antidepressiva heb ik de deur uitgegooid. Wil ik hier doorheen komen, dan moet ik voelen. Dat vertelt mijn instinct me tenminste. Want ik ben mezelf kwijt geraakt onderweg. Alles wat mij definieerde, is niet meer. Dus wil ik door, dan moet ik eerst mezelf weer zien te vinden. Bij mezelf komen. Voelen. Maar hoe?

En dan hoor ik een liedje. Een liedje van een band waarvan je eigenlijk niet meer mag zeggen dat je van hun muziek houdt. In de beginjaren van de band was ik groot liefhebber. Als ik me rot voelde, zette ik hun muziek op. De teksten leken voor mij geschreven, de stem van de zanger raakte me tot op het bot. Het gaf me kracht, of zorgde er in ieder geval voor dat ik het leven weer een schop onder zijn kont wilde geven.
De afgelopen jaren bekoelde de liefde een beetje. De band werd me te commercieel en hun muziek zette ik niet meer op wanneer ik me rot voelde. Tot dat liedje gisterochtend. Opeens op de wekkerradio. Het leek alsof de zanger alleen voor mij zong. Alsof die tekst alleen voor mij was geschreven. Alsof ze snapten waar ik mee worstel en ze me wilden laten weten dat het goed komt. En de tranen liepen over mijn wangen.

Dus fok it. Ik hartje Coldplay. Hun muziek gaat weer aan. En wie weet vind ik mezelf daardoor weer een beetje…