Heel erg bang

Het is niet dat ik echt dood wil. Denk ik. Ik wil alleen niet meer voelen. En dan nog niet eens de fysieke pijn, waarvan ik het idee heb dat ik dat steeds beter onder controle heb. Die in mijn rug dan, en mijn nek en arm. Die. Niet de pijn in mijn hoofd. Maar wat ik absoluut niet meer wil voelen is de pijn in mijn buik. Het verdriet. De frustratie. De boosheid. De prikkelbare buien. De buien waarbij ik het allemaal niet meer zie zitten.

Wanneer ik dan op bed lig, fantaseer ik over grote scherpe keukenmessen die ik diep in mijn buik steek, alsof ik daarmee de pijn als een gezwel kan wegsnijden. Of dat daardoor de lichamelijke pijn de psychische pijn overheerst, waardoor ik er niet meer aan hoef te denken. Er niet meer mee geconfronteerd word. Want wat wil ik graag dat het weggaat. Het me met rust laat. Voor altijd. Ik haat die pijn. En ja, ik weet dat het erbij hoort. Dat het bij de PTSS hoort, of misschien bij de depressie. Niet dat het uitmaakt waar het bij hoort; ik wil gewoon niet dat het bij míj hoort. Het gevoel zorgt dat ik in een slachtoffer verander. Een zielig hoopje mens dat niet meer weet waar ze het zoeken moet. Het maakt dat ik niet meer wil vechten. Het maakt dat ik alleen maar in een hoekje wil wegkruipen en me wil verstoppen. Verstoppen voor de pijn, maar ook voor de hele wereld. Want deze buien maken me nou niet echt bepaald een leuk mens. Vrolijk, spontaan, liefdevol, geduldig… het is ver te zoeken. Héél ver. In zo’n bui is niemand om me heen veilig. Ik schijn je hoofd eraf te bijten, vol lelijkheid en gemene opmerkingen. En het erge is dat ik me het vaak niet eens bewust ben. Of dat ik het me wel bewust ben, maar dat ik het gevoel heb dat ik als een derde persoon naar de situatie kijk, maar er totaal geen grip op heb. Ik zie het gebeuren, als een trein die met volle vaart ontspoort, en ik kan er niets, maar dan ook niets aan doen of veranderen.

Het maakt dat ik het gevoel heb dat steeds meer mensen me gaan mijden. Wat ik overigens niet heel verwonderlijk vind; wie wil er nu bij iemand zijn die enkel negatieve energie uitstraalt? Of bij iemand die vuur spuwt wanneer je ook maar iets zegt? Iemand bij wie je continu op je hoede moet zijn? Ik snap het. Echt. Het nadeel is alleen dat ik juist nu zo graag liefde wil voelen. Het zelfs zo ontzettend hard nodig heb. Knuffels. Warme woorden van genegenheid. Een luisterend oor. Veilige verstopplekken in andermans armen. Andermans geloof in het feit dat het met me goed gaat komen. Want ik heb het niet meer.

Ik weet alleen echt niet meer hoe ik hieruit moet komen. Ik ben verdwaald en bang. Heel erg bang.

Hoelang ga ik dit nog volhouden?

Het lijkt alsof de hele wereld zich terug trekt, afstand neemt. En ik ploeter maar verder, met het gevoel dat ik alles alleen moet doen. Een jurist die voor mijn gevoel de dingen nu wel heel erg op het laatste moment aan laat komen. De UWV die in mijn nek hijgt. Alles wat voor de vakantie geregeld moet worden (en dat is echt wel wat meer dan zomaar wat kleding in een tas gooien en vertrekken). De monsters, voor wie ik op het moment veelal alleen zorgdraag, en die beiden in hun onuitstaanbare periode zitten. Vriendinnen die druk met hun eigen sores zijn en daardoor geen tijd hebben voor een knuffel. Zorgen om alles wat de scheiding met zich mee gaat brengen; de impact op de monsters, de financiën, onze woonsituatie. De impact die dit heeft op mijn beginnende relatie. En dan nog mijn fysieke staat, die weliswaar steeds iets beter wordt, maar nog lang niet optimaal is.

Ik ben zo moe. Zo ontzettend moe.