“Maar dat mag toch helemaal niet gebeuren?! Dit is Nederland! Dat kan niet waar zijn!”

Een vergaderruimte. Een tafel met een koffie- en een theekan. De lamellen dicht tegen de zon, de airco aan. Een aantal mannen in pak. Misschien ook een vrouw in pak, maar in mijn gedachten zijn het mannen. Een stapel dossiers op tafel die besproken dienen te worden. En een vrouw die notuleert wat die mannen-in-pak zeggen.

Dat beeld heb ik in mijn hoofd. De afgelopen week heb ik aan niets anders kunnen denken. Die mannen-in-pak gaan namelijk vanmiddag beslissen over mijn toekomst. Of ik in de toekomst samen kan blijven met mijn kinderen. Want als die mannen-in-pak besluiten dat mijn geval niet schrijnend genoeg is voor een urgentieverklaring, dan ben ik door alle opties heen. Dan weet ik echt niet meer wat ik nog kan doen om ervoor te zorgen dat ik mijn kinderen bij me kan houden. Want zonder dak boven mijn hoofd moeten mijn kinderen bij hun vader gaan wonen, en mag ik me aanmelden bij de daklozenopvang. Zo simpel is het. Zo zijn de regels in Nederland.

“Maar waarom moet je dan je huidige woning uit?”
Het koophuis waarin we nu nog wonen, het huis waar mijn ex mede-eigenaar van is, wordt verkocht. In het scheidingsconvenant staat dat ik hier nog 2 jaar mocht blijven wonen, en die 2 jaar zijn bijna om. Ik ben dan ook al 1,5 jaar hard op zoek naar woonruimte voor mijzelf en mijn twee kinderen, tot op heden zonder resultaat. De situatie wordt echter steeds nijpender, want de verkoop komt nu wel erg dichtbij.

“Waarom lukt het je niet iets anders te vinden dan?”
Om een lang verhaal kort te maken, komt het erop neer dat verhuurders niet willen verhuren aan iemand met een tijdelijke uitkering (een WIA-uitkering om precies te zijn).

Voor degenen die voor het eerst een blog van mij lezen: ruim 5 jaar geleden, op 29 december 2011, raakte ik buiten mijn schuld betrokken bij een zwaar verkeersongeval, wat resulteerde in een gebroken heiligbeen (onderrug), een gebroken bekken, wat kleiner letsel en een zware hersenkneuzing met traumatisch hersenletsel als gevolg. Daarnaast zorgde het ongeval voor een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en een zware depressie. Mijn leven verliep tot op het moment van het ongeluk voorspoedig: ik was een hoogopgeleide, hardwerkende, goed functionerende en gezonde vrouw die een week na het ongeluk haar studie communicatie zou afronden en zou starten in haar nieuwe functie bij GGZ Rivierduinen. Ik sportte graag en was druk met mijn 2 kleine kinderen en een goed gevuld sociaal leven. En toen sloeg het onheil toe…
Het herstel duurde veel langer dan ikzelf had verwacht. En elke keer wanneer het iets beter leek te gaan, ging er iets goed mis. Mijn liefste vriendin overleed bijvoorbeeld. Daarnaast had mijn echtgenoot het heel erg moeilijk met ons nieuwe leven en zijn nieuwe rol. Ik was er niet voor hem: ik was veel te druk met mezelf, mijn herstel en het gevecht tegen mijn depressie. Na een heel zware en nare tijd hebben we moeten besluiten een punt achter onze relatie te zetten. En dan nu mijn dreigende dakloosheid…

Mijn WIA-uitkering maakt namelijk dat ik niet alleen geen hypotheek kan krijgen, maar ook dat ik niet kan huren bij particuliere-woningverhuurders als Van ‘t Hof Rijnland, Vesteda of Interhouse. Ik heb gebeld, gesmeekt, gehuild, getweet en geblogd, maar het helpt niet: met mijn tijdelijke uitkering word ik niet geaccepteerd als huurder. Een tijdelijke uitkering maakt dat je een potentiele wanbetaler bent, ook al heb ik nog nooit huur of hypotheek te laat betaald, en heb ik op de hypotheek na, verder nog nooit schulden gehad. Bovendien stellen alle particuliere verhuurders de eis dat je minimaal 4 keer bruto de huur moet verdienen. Dat betekent dat je voor een woning van 900 euro dus minimaal 3600 euro bruto per maand moet verdienen, op één salaris. Dat red ik niet met mijn uitkering, maar zelfs zonder uitkering is dat een redelijk onmogelijke opgave. En van de week bleek dat zelfs de lokale huisjesmelker een lange wachtlijst heeft.

“Maar waarom wil je dan gelijk een groot huis, en zoek je niet iets kleiners?
Het maakt me niet uit hoe groot of hoe klein we gaan wonen, al zal het een uitdaging zijn om mijn puber van 12 en zijn kleine zusje van 8 een kamer te laten delen. Maar kleinere woonruimte (dan maar met z’n drieën in een studio of zomerhuisje) mag weer niet bewoond worden door meer dan 1 (werkend) persoon. Dat is een standaard eis. En anti-kraak is ook geen optie, want daar mogen geen kinderen wonen. Nederland bestaat uit regeltjes. Geloof me, ik heb ondertussen alle mogelijkheden onderzocht.

“En sociale huur? Lukt dat niet?”
Nee, ook sociale huur lukt niet. Ik stond jarenlang ingeschreven, zelfs toen ik al met mijn gezin in deze koopwoning woonde, maar tijdens mijn ziekbed zijn veel financiële zaken blijven liggen, waaronder de betaling aan Woonzicht in 2012. Ik heb het ruim een maand te laat betaald en ben daardoor uitgeschreven. Door mijn ziekte en de gevolgen ervan ben ik dus zelfs mijn puntenopbouw bij Woonzicht (nu WoningNet Holland Rijnland) kwijtgeraakt. De wachtlijst bedraagt zo’n 15 jaar hier in de regio, en ik bungel nu dan ook ergens onderaan de lijst.

“Tijdelijk bij je ouders wonen? Of bij vrienden?”
Dat lukt niet. Ik heb geen naaste familie meer, en mijn vrienden zijn aardig uitgedund in de afgelopen 5 jaar. De lieve mensen die ik nog om me heen heb, kunnen in ieder geval niet nog een gezin van 3 erbij huisvesten.

“Kan de gemeente niets doen? Of zijn er instanties die je kunnen helpen?”
De gemeente vond mijn situatie schrijnend, maar kon niets voor me betekenen. Ze verwezen me door naar de woningstichting. Overige instanties, zoals maatschappelijk werk of de sociale dienst, kunnen ook geen woning voor me regelen. Via een lieve vriendin kwam ik in contact met een wethouder uit een aangrenzende gemeente, die ons uitnodigde voor een gesprek. Dankzij hem heb ik nu in ieder geval de steun van het sociaal team in de regio.

“En nu? Wat nu dan?”
Mijn prachtige, sensitieve en pientere kinderen hebben in de afgelopen 5 jaar te veel ellende meegemaakt. Hun wereldje is al zolang onstabiel en onveilig. En ze willen niets liever dan blijven waar ze zich thuis voelen, in dit dorp, in een veilige woonruimte, en bij hun moeder. Dus daarom ging ik begin dit jaar aan de slag met een urgentie-verzoek. Het duurde 3 maanden voordat ik alle gevraagde stukken bij elkaar had, waarbij ik in het staartje van dit traject de steun kreeg van het sociaal team. En daar ben ik heel blij mee, want het aanvragen van een urgentie is een hel.

“Waarom is het urgentie-traject zo zwaar dan?”
De lijst van benodigde stukken voor een urgentie-aanvraag is lang, heel lang. En de gewenste stukken zijn ook best wel confronterend, wat het mentaal nogal pittig maakt. Instanties werken ook niet mee: zo moest ik bijvoorbeeld bewijzen dat de kinderen bij mij staan ingeschreven en dat ik kinderbijslag ontvang. Het SVB heeft daar dus niet een standaard uittreksel voor beschikbaar. Dat heeft ruim een maand, een aantal mailtjes en nog meer telefoontjes gekost voor ik dat in huis had.

“Hebben de kinderen geen inspraak dan?”
Uiteindelijk kon ik op 11 april mijn stukken voor de aanvraag indienen bij de woningstichting. Een medewerker van het sociaal team ging met me mee voor support. Gelukkig maar, want in dat gesprek werd erg stellig en behoorlijk afschrikwekkend verteld dat scheiden en gedwongen verkoop van de woonruimte geen reden tot urgentie geven. Op basis van acute dakloosheid kom ik niet in aanmerking voor een urgentieverklaring. Waarom niet? Omdat mijn kinderen bij hun vader kunnen wonen. Die een kleine 150 km verderop woont. Zelfs wanneer kinderen aangeven dat ze niet bij hun vader zouden willen wonen, of wanneer hun vader hen niet in huis zou willen nemen, vormt dat geen bezwaar voor de woningstichting. “Zo zijn de regels, mevrouw.” Ik verliet huilend het gesprek, en mijn begeleider stond met open mond. Ze geloofde niet wat er zojuist was gebeurd, en vooral niet hoe uitermate onvriendelijk het was meegedeeld.

“Dat meen je niet! Dat kan toch niet?!”
Mijn urgentie-aanvraag is niet op basis van acute dakloosheid, maar op psychosociale grond, dus we hebben nog een beetje hoop. Een heel klein sprankje, meer is het niet. Dus toen begin mei een brief kwam voor een gesprek met de MO Zaak, die door de urgentiecommissie was gevraagd om advies, was dat in ieder geval al beter dan een directe afwijzing. Op 1 juni zat ik met mijn begeleider van het sociaal team in de wachtruimte van de vergaderruimte gehuurd door de MO Zaak. En er kwam niemand. Helemaal niemand. We konden ook niemand telefonisch te pakken krijgen. De dag erop bleek dat de MO Zaak een week eerder failliet was verklaard. En dat zelfs de urgentiecommissie daar niet van op de hoogte was.

“Maar hoe nu verder dan?”
De dames van het sociaal team zijn vorige week als een gek aan het bellen geweest met de urgentiecommissie. Voor het aanvragen van een urgentie staat 6 tot 8 weken. Mijn aanvraag deed ik al 7 weken voor het adviesgesprek met de MO Zaak. Na het advies van de MO Zaak zou de urgentiecommissie nog steeds die 6 tot 8 weken nodig hebben om tot een besluit te komen. En nu moest ik eigenlijk eerst wachten op de doorstart van de MO Zaak, dan het adviesgesprek aangaan, en dan wachten op de urgentiecommissie. Dat betekent dat het hele traject voor mij zo’n half jaar zou duren. Hoe urgent is een urgentie? Maar gelukkig heb ik de dames van het sociaal team die voor mij in de bres springen. Ik moet er niet aan denken dat ik dit deel ook in mijn uppie had moeten doen. Vanmiddag komt de urgentiecommissie bijeen, en bespreken ze onder andere mijn casus. Zonder advies van de MO Zaak, wat het wel nog spannender maakt voor me.

“Maar wat als je geen urgentie krijgt?”
Wanneer de urgentiecommissie vanmiddag besluit dat ik niet in aanmerking kom voor een urgentie, dan betekent dat dat ik afscheid moet gaan nemen van mijn kinderen. Mijn kinderen die voor mij de reden van mijn bestaan zijn. Mijn kinderen voor wie ik terug kwam uit mijn bijnadoodervaring. Mijn kinderen voor wie ik sterk genoeg was het de afgelopen jaren vol te houden, ondanks een heel zware depressie. Mijn kinderen moeten dan verplicht bij hun vader gaan wonen en ik mag me dan aanmelden bij de daklozenopvang in Leiden. Ook al heb ik gewoon geld om te huren. Niet de 1500 euro per maand die voor een woning in de particuliere huur wordt gevraagd, dat is waar. Maar 700 euro per maand exclusief vaste lasten lukt. Maar schijnbaar is dat niet genoeg. Niet genoeg om een gezin bij elkaar te houden.

“En als je je kinderen nu even bij hun vader laat wonen, tot jij woonruimte hebt gevonden?”
Mijn kinderen zijn geen meubilair. Wanneer ze moeten verhuizen naar Brabant, en daar naar school gaan, sporten en vrienden maken, dan kan ik ze toch niet weer na een jaar terugvragen? Ik doe dit hele traject niet voor mezelf, maar voor mijn kinderen. Zij zijn het allerbelangrijkst. Ik wil dat het hen goed gaat. En dat betekent dus niet dat ze maar heen en weer moeten blijven verhuizen van provincie naar provincie, van ouder naar ouder, omdat dat hun ouders beter uitkomt. Wanneer ze bij hun vader moeten gaan wonen, dan blijven ze daar. En dan zie ik ze voortaan om het weekend, hoe moeilijk ik dat ook vind. Want geloof me, ik wil niet zonder mijn kinderen. Nooit. Maar ze hebben het al zwaar genoeg gehad de laatste jaren. Ze hebben rust en stabiliteit nodig.

“Maar dat mag toch helemaal niet gebeuren?! Dit is Nederland! Dat kan niet waar zijn!”
Het is echt waar. En ik heb er heel wat slapeloze nachten van. Ik hoop dat ik sterk genoeg ben dit aan te kunnen, mocht het zover komen. Maar ik ben bang. Doodsbang.

Ik heb nog nooit eerder om hulp gevraagd en vind het dan ook ontzettend moeilijk om dat nu wel te doen. Zonder woning krijg ik niet de stabiliteit, de veiligheid, om verder aan mezelf te werken. Ik ben vol vertrouwen dat het me gaat lukken om weer te werken en het is iets dat ik zo ontzettend graag wil. Het gaat steeds beter met mijn lijf, al zal ik nooit meer pijnvrij worden. En geestelijk gaat het zo veel beter. Ik durf zelfs hardop te zeggen dat ik op dit moment niet meer depressief ben. Een vakantie met mijn monsters is geboekt, en ik heb ook nog eens verliefde kriebels in mijn buik. Ik wil niets liever dan een dikke vette streep onder de afgelopen 5 jaar trekken. Genoeg is genoeg. Maar alle regels in Nederland zorgen ervoor dat ik maar niet uit deze vicieuze cirkel, deze neerwaartse spiraal, kom. Ik wil zo graag weer een kans in het leven, voor mij en mijn monstertjes. Een kans. Een woning en werk, dat is alles wat ik nodig heb. Zodat mijn monstertjes eindelijk de stabiliteit krijgen die ik ze zo graag wil geven, naast alle liefde in mijn hart.

Dus duim voor me. Duim dat de urgentiecommissie me de urgentie toekent. En dat er dan ook nog een woning vrij komt in mijn dorp in de komende 4 maanden. Duim. Alsjeblieft.

 

UPDATE (14 juni, 14.30 uur)

De urgentiecommissie heeft besloten dat zij eerst meer advies moeten inwinnen voor zij een beslissing willen nemen. Ik heb dus geen urgentie gekregen, maar het is ook nog niet helemaal afgelopen. Wel moet ik nog heel veel langer wachten.

Nadat er niemand kwam opdagen bij mijn gesprek met de MO Zaak, zijn mijn begeleiders van het sociaal team regio Teylingen gaan bellen met de urgentiecommissie van WoningNet Holland Rijnland. Zij hebben veel contact gehad met de secretaris van de urgentiecommissie. Deze secretaris had toegezegd mijn zaak te bespreken tijdens het overleg op dinsdag. Vanmiddag bleek, nadat mijn begeleiders van het sociaal team zelf maar zijn gaan bellen, dat de secretaris ziek is. Ze heeft dus niet mijn casus kunnen toelichten tijdens de vergadering van de urgentiecommissie. Daarom heeft de commissie mijn casus op de standaard manier behandeld en besloten dat ze alsnog meer informatie nodig hebben voor zij een besluit kunnen nemen. Wanneer ik een afspraak heb hiervoor, en met welke partij, is nog niet duidelijk. Dat wordt door de secretaris geregeld. De MO Zaak schijnt een doorstart te gaan maken, dus waarschijnlijk moet ik daar op gaan wachten. Nadat ik dan een gesprek met hen heb gehad, zullen zij hun advies indienen bij de urgentiecommissie, die dan vervolgens mijn casus weer zal bespreken. Dus eigenlijk begin ik weer van voor af aan…

Het positieve nieuws is dus dat mijn urgentie-verzoek nog niet is afgewezen. Maar hoe lang het allemaal nog gaat duren, geen idee. En geloof me, het gaat me niet in mijn koude kleren zitten…

Wordt vervolgd.

Nog een paar daagjes, en dan zijn ze weer thuis…

Een foto op Facebook. Een familie samen op een trap, poserend voor een redelijk spontane familiefoto met de kerst. Opa en oma, hun kinderen met hun aanhang en de kleinkinderen. Iedereen lacht, en het komt oprecht over. Een fijne foto.

Op de voorgrond staan links en rechts van een vrouw een jongen en een meisje. De vrouw ken ik niet. Ze lijkt wel als twee druppels op een van de andere vrouwen op de foto, de vrouw die in de armen van mijn exgenoot zit: de bonusmoeder van mijn monsters. Want die jongen en dat meisje op de voorgrond, die ken ik maar al te goed. Die twee horen bij mij; mijn prachtige monsters.

Ik ben blij dat mijn monsters deze kerst genieten van alle liefde die ze in mijn ogen verdienen. Kerst hoort een tijd te zijn van liefde, van familie, van vriendschap. Zelf heb ik geen familie meer, en ik kan ze dat dus niet geven. Vandaar dat ze nu voor het tweede jaar op rij deze dagen doorbrengen bij hun vader, en gezamenlijk met hun opa en oma, ooms en tantes en neefjes en nichtjes onder de boom zitten.

En nu maken ze dus ook deel uit van een andere familie: de familie van hun bonusmoeder. En ja, ik noem haar bewust zo. Ik ben blij dat ‘mijn’ monsters zo liefdevol door haar worden opgenomen en dat zij op hun beurt overduidelijk zo gek op haar zijn. En dat haar familie hen daardoor ook opneemt in hun schoot is geweldig. Ze verdienen het. Absoluut. Liefde is waar het leven om draait.

En toch… toch doet het stiekem ook een beetje pijn. Mijn monsters hebben nu ook een leven waar ik geen deel van uitmaak, waar ik niets van weet, met mensen die ik niet ken. En dat voelt, om eerlijk te zijn, best wel kut. Sommige dingen moeten schijnbaar nog een beetje slijten.

Maar nog maar een paar daagjes, en dan zijn ze weer thuis…

 

De les van de dochter met het ochtendhumeur

‘Goedemorgen, lieverd! Tijd om wakker te worden! Je mag vandaag weer naar school!’ zeg ik deze ochtend tegen mijn dochter van bijna 7, terwijl ik haar rolgordijn omhoog trek. De zon schijnt vandaag en dat stemt me blij, maar dat vroege opstaan op een maandag is altijd weer even wennen.

Dat vinden ook mijn monsters, want terwijl zoonlief voor dood speelt en net doet alsof hij niets hoort, hoor ik aan mijn dochters gemompel van onder haar dekbed vandaan dat ze er vandaag totaal geen zin in heeft. Twee monsters met een ochtendhumeur, en dat terwijl ik zelf al 20 minuten te lang ben blijven liggen… Dit wordt een uitdaging, besef ik me. Oeps.

Ik zet de radio hard aan, zodat de monsters niet weer in slaap vallen, en begin aan mijn ochtendrituelen. Ik leg hun kleren klaar, omdat vandaag overduidelijk zo’n dag is waarop ze daar niet zelf aan toe zullen komen, pak hun gymtassen in (ja, dat had ik gisteravond al moeten doen, I know!), en vouw mezelf onder een snelle douche. Terwijl ik me afdroog, hoor ik heel veel boos gemopper uit de kamer van het jongste grut vandaan komen. Ze zit boos op de grond, want ze is het niet eens met mijn kledingkeuze voor haar vandaag. Ze is het ook niet eens met het feit dat ze vandaag niet mag thuisblijven, en ze wil ook niet gymmen. Eigenlijk wil ze helemaal niets, bijt ze me met vuurspuwende ogen toe. Ik laat haar maar even mokken en kleed me verder aan.

Zoonlief krijg ik na een kieteldood eindelijk uit zijn hoogslaper en onder de douche, weliswaar met een gezicht op standje onweer, maar er zit in ieder geval beweging in. Mijn dochter zit nog steeds te mokken op de vloer van haar kamer, haar armen om haar opgetrokken knieën gevouwen, en met een dreigend gezicht. Ik begin mijn geduld te verliezen. ‘Nu is het klaar!’ zeg ik haar boos. ‘Hup! Aankleden jij! Als je kleren je niet bevallen, dan kies je iets anders uit, dat weet je. Daar heb je ruim de tijd voor gehad. Ophouden met dat gezeur en opschieten!’ Natuurlijk heeft dat niet het gewenste resultaat. En dat laat ze duidelijk merken ook, met gestamp van de voeten, armen voor haar borst gekruist, en een grote mond.
Maar wat had ik dan verwacht, vraag ik me af. Dat ze opeens zou gaan doen wat ik wil, zonder morren? Mijn dochter en niet-morren is sowieso al een onmogelijke combinatie, besef ik me lachend. Maar hoe los ik dit op? En ik probeer me in haar te verplaatsen (niet zo heel erg moeilijk, want ze heeft enkele pittige karaktertrekken niet van een vreemde). Zou ik het fijn vinden wanneer er zo tegen me gesproken wordt? Zou ik het waarderen wanneer er tegen me geschreeuwd wordt, laat staan wanneer ik last heb van een ochtendhumeur? No way! Maar waar zou ik dan wel behoefte aan hebben op dat moment? En ik besef me dat het antwoord heel eenvoudig is: liefde. Liefde voor mij én mijn ochtendhumeur. Hoe vaak moet ik niet vertederd lachen om mijn pittige dochter met haar even pittige ochtendhumeur? Want dat heeft ze, en het maakt haar alleen maar nog meer haar; het mooie, kleine, perfecte persoontje dat ze is.

Ik ga op mijn knieën voor haar zitten en spreid mijn armen. ‘Kom maar,’ zeg ik. ‘Kom maar, en dan zal ik je helpen. Maar eerst een lange knuffel!’ Ze kruipt in mijn armen en knuffelt me zo hard als ze kan. En geloof me, er is niets lekkerder dan de dag te beginnen met een paar van die kleine armpjes om je heen. Aankleden is daarna zo gepiept, tandenpoetsen gaat al bijna zonder tegengas, en terwijl ik een staart in haar haar knutsel, verschijnt er al een lach op haar gezicht.

Mijn les van deze ochtend: verplaats je eens in een ander. Hoe zou jij willen worden behandeld op dat moment? Hoe zou jij je voelen wanneer jij die ander was, en hoe zou iemand je op dat moment kunnen helpen? Want uiteindelijk zijn we allemaal hetzelfde, nietwaar?
Wat een drama had kunnen worden deze ochtend bij mij thuis, kon ik op deze manier ombuigen tot een fijne en waardevolle ochtend. Een prachtig begin van deze dag.

Ik ben dus stiekem wel zo’n moeder

‘Mam!’ riep hij, en hij dook onstuimig op de bank in mijn armen. Hij hield me vast alsof hij me al weken niet had gezien en begroef zijn neus in mijn nek. Ik snufte wat, knipperde met mijn ogen de tranen weg – want dat emotionele gedoe kan echt niet meer bij mijn zoon van 10 – en hield hem nog steviger terug vast. En zo knuffelden we elkaar nog veel langer, genietend van ons samenzijn. Ik had hem gemist, mijn held, mijn bikkel, mijn boef. Meer dan ooit.

Over het algemeen beschouw ik mezelf niet als zo’n moeder-mama, zo eentje die de hele dag bezig is met het welzijn van haar kinderen, en ook eigenlijk geen minuut zonder ze kan. Die, wanneer de kinderen een nachtje elders logeren, voor mijn gevoel continu in gedachten – en vaak ook hardop – zich afvragen hoe het met hun kroost is, of ze het wel goed hebben en naar hun zin, en die zich ontredderd voelen wanneer het nageslacht niet in de buurt is. Ik vind het altijd wel lekker wanneer ze ergens logeren: ik weet dat ze het daar goed hebben, dat ze het naar hun zin hebben, én ik kan heerlijk mijn eigen gang gaan. Of het nu ongestoord bankhangen is (en ongestoord naar de wc of douchen: zo fijn!), of een lange nacht doorhalen buiten de deur (zonder je zorgen te hoeven maken over de oppas of hoe vroeg het gespuis weer op je bed zal staan springen in de ochtend), ik geniet ervan. Met volle teugen. Het enige moment waarop ik dan even moeite heb, is bij mijn avondritueel: iedere avond voor ik ga slapen, loop ik nog even hun kamer in om ze weer recht in hun bed te leggen, de dekens (die ze standaard van zich af schoppen) weer over hun heen te trekken, en ze een kusje te geven, terwijl ik fluister dat ik van ze hou. Dat gaat nu eenmaal niet wanneer ze er niet zijn.

Maar gisteren was mijn oudste voor het eerst op kamp. Slechts een nachtje, aansluitend aan een voetbaltoernooi op zijn eigen club. Hij had er zin in toen hij vertrok, met een grote tas gevuld met luchtbed en slaapzak, snoep en een zaklamp. Ik zwaaide hem weemoedig uit en merkte dat ik het maar helemaal niets vond: mijn kleine man op kamp, zonder een van zijn ouders erbij. Wat nu als hij het eng zou vinden? Of het midden in de nacht koud zou krijgen? Of dat er iets zou gebeuren en ik er niet snel genoeg bij kon zijn? En ik lachte om mezelf. Ik ben dus stiekem wel zo’n moeder.

Vannacht deed mijn zoon weer een grote stap in zijn eigen leven, een leven los van zijn ouders. Ik had het er best wel een beetje moeilijk mee, maar vooral ben ik supertrots op zijn stappen de grote wereld in. Mijn kleine kanjer is een grote man aan het worden.
Maar bovenal genoot ik vanochtend met volle teugen van dat lange lijfje tegen me aan en de lange knuffel, zijn blijdschap om me weer te zien en de woorden dat hij me had gemist. Ik mag hem gelukkig nog een paar jaartjes langer bij me houden, als het lot dat toestaat.

son growing up, zoon, groot, opgroeien

Bezuidenhout

Zondagmorgen. Ik word wakker van het geroekoe van de tortelduifjes die zich permanent in onze tuin hebben gevestigd. Hun geroekoe brengt me terug naar lang, lang geleden. Naar de keren dat ik als klein meisje logeerde bij opa en oma. In Bezuidenhout kon je niet om de duiven heen.

Opa en oma. Zouden ze me nog kunnen zien? Zouden ze weten dat ze twee prachtige achterkleinkinderen hebben? Zouden ze ook zien dat hun genen doorleven in die van mijn monsters?

Opa en oma, ik mis jullie.

Rotmoeder

Maandagmiddag begint de killing koppijn op te komen. De koppijn die ik altijd krijg ongeveer 24 uur na een activiteit. Niet heel raar, want zondag heb ik een fijne maar drukke dag gehad. Maandag had ik om die reden al ingecalculeerd als hersteldag. Helaas ben ik maandagochtend zo onrustig dat ik ’s ochtends maar een kast uitmest. Hoognodig, maar niet handig. Maandagavond weet ik niet meer waar ik het moet zoeken van de pijn, maandagnacht kan ik door de pijn nauwelijks in slaap vallen, en dinsdagochtend word ik wakker met niet alleen heel erge hoofdpijn, maar ook met pijn in mijn nek, schouders, hoge rug(genwervel), en loodzware armen. Mijn armen voelen aan alsof ze gemaakt zijn van beton: log en zwaar. Vreselijk moeilijk om te bewegen, ze te gebruiken of om iets mee beet te pakken. Overigens niets nieuws, dit gebeurt meerdere keren per week.

Mijn wekker gaat: het is tijd om 2 monstertjes klaar te maken voor hun schooldag. Ze komen gelijk bij me in bed liggen, al wakker geworden door hun vader die vlak daarvoor naar werk was vertrokken. Ze mopperen dat ze geen zin hebben en dat ze bij mij willen blijven. Ik voel me zo rot dat ik er niet aan moet denken om ze de hele dag om me heen te hebben en ben blij dat ze naar school moeten. En natuurlijk voel ik me daar gelijk weer schuldig over. Ondertussen krijg ik schop tegen het littekenweefsel op mijn knie (en dat is extreem gevoelig, geloof me), een puntige elleboog pijnlijk in mijn bovenarm en een kopstoot tegen mijn bonkende hoofd, terwijl ze ruzie maken over wie het meeste deken heeft en wie er het dichtst tegen me aan mag liggen. Sowieso al geen genietmomentjes, maar op dit soort dagen kan ik daar al helemaal slecht tegen. Dus ik snauw dat ze moeten ophouden en dat ze zich moeten gaan aankleden. Opbokken!

Het volgende gevecht begint. F1 loopt als een zombie in de rondte, trekt 2 boxers over elkaar heen aan, vergeet dat-ie ook nog sokken aan moet of een hemd onder zijn shirt. F2 krijgt een driftbui omdat ze haar zomerigste zomerjurkje vandaag niet aan mag. Ik doe echt heel erg mijn best geduldig te blijven, echt waar. De heftige pijn werkt alleen niet mee en maakt me prikkelbaar. Terwijl de tijd begint te dringen leest F1 met een been in zijn broek een boek, en krijgt F2 de volgende driftbui omdat ze haar haar niet wil laten kammen. Ik sta op ontploffen. Zonder het geduld om deze situatie nog om te buigen naar iets positiefs, sleur ik F1 mee om zijn tanden te poetsen, terwijl ik schreeuw dat-ie dan maar in zijn onderbroek naar school gaat. Het tandenpoetsen doet bij mij zo’n verdomde zeer, dat de tranen over mijn wangen lopen. F2 staat tegelijkertijd te dreinen dat ze niet eerst wil plassen voordat ik haar tanden poets. Ik ontplof. Ik schreeuw dat ze het alle twee maar bekijken, dat ze vooral het leven van hun juf en meester maar zuur moeten gaan maken, maar dat ik ze niet meer wil zien. Ik kan niet meer. Ik ben op. Ik heb pijn. Ongelooflijke pijn. En ik voel me de meest incompetente, onvriendelijke, prikkelbare rotmoeder ooit. Alweer.

Wat hebben de F’jes nou aan mij? Ze mogen geen lawaai maken, kunnen niet meer met me stoeien of gek doen. Ik doe geen spelletjes meer met ze, bouw geen magistrale Lego-werken meer met ze samen. Ik lees niet meer voor, zing geen liedjes meer. Heel af en toe, op een goede dag, kan ik op bed met ze knuffelen en praten. Het liefst met maar één tegelijk omdat het me anders teveel wordt. Wat hebben ze nou aan me? Is dit de moeder die ze zich later moeten herinneren? De moeder die altijd maar ziek lag te zijn op bed? Die niets met ze kon doen? Is dit nou de reden waarom ik het ongeluk heb overleefd? Ik wil deze moeder niet zijn. Ik wil zo niet zijn. Ik kan alleen niet meer. Ik kan echt niet meer.

Vrijdagochtend

Een grote vlaag van koude lucht maakt me wakker wanneer het puntje van mijn dekbed wordt opgetild. Een klein lijfje nestelt zich tegen me aan. Twee kleine koude voetjes worden tussen mijn warme benen gestoken; ze voelen aan als ijsklompjes. Twee nog koudere handjes worden om mijn nek geslagen. Ik krijg een kopstoot en een dikke bos blond krulhaar in mijn mond, wanneer ze haar mond dicht bij mijn oor brengt. Ze fluistert: ‘Mama, jij vindt mij toch lief?’. En het enige wat ik voel op dat moment, is liefde. Mijn hart stroomt ervan over en vult elke ledemaat, elk orgaan, elke cel, met liefde. Ja, mama vindt jou lief. Meer dan ik je zeggen kan.

En nou stilliggen!

kleuter voeten koude voetjes